Hoe Amsterdam met PFAS-onderzoek tot duidelijke keuzes komt
PFAS zie je niet. Je ruikt het niet. Maar het zet wél een hele stad in beweging. In de raadzaal, op een bouwplaats, in gesprekken met bewoners. Het Rijk vraagt om een systematische aanpak. De gemeente Amsterdam maakt die aanpak concreet, samen met onderzoekspartner Tetra Tech.
Een graafmachine opent de grond. Er komt zand vrij. Een voor het oog routinematige actie, maar ook het moment waarop een onzichtbare stof bestuurlijk gewicht krijgt. De kennis over PFAS is de afgelopen jaren snel toegenomen. En daarmee ook de aandacht en de vragen. We weten dat PFAS in veel materialen en productieprocessen is gebruikt. Dat maakt het aannemelijk dat het ook in de bodem voorkomt. De vraag is waar en in welke mate.
“Als je niet weet waar het zit, gaan mensen dat zelf invullen en interpreteren,” zegt Alex van Duijn, projectleider en bodemadviseur bij de gemeente Amsterdam. “Wij willen helderheid. Wat speelt er, hoe moeten we dat beoordelen en wat betekent dat voor de gezondheid van onze inwoners?”
Landelijke lijn, lokale verantwoordelijkheid
Amsterdam besluit alle zogeheten PFAS-aandachtslocaties binnen de gemeentegrens in beeld te brengen. Het gaat om locaties waar een PFAS-verontreiniging kan leiden tot contactrisico’s voor mensen. Verspreiding
naar drinkwater speelt in Amsterdam niet; de stad heeft geen drinkwaterwingebieden.
“Er is geen nieuwe wetgeving, waardoor wij zelf in actie zijn gekomen,” zegt Van Duijn. “Maar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft met het convenant bodem en ondergrond een landelijk programma
opgezet om locaties met mogelijke PFAS-verontreiniging tussen 2023 en 2030 systematisch in beeld te brengen. Daar sluiten wij op aan. Dit is een landelijk probleem. Dat pak je niet alleen op.”
Eerst het hele speelveld zien
De landelijke lijn geeft richting. De invulling vraagt om lokale keuzes. De aanpak begint daarom niet met een boor in de grond, maar met overzicht. In afstemming met de Omgevingsdienst voerde Amsterdam een brede bureaustudie uit. Waar is in het verleden mogelijk met PFAS gewerkt? Welke bedrijfsactiviteiten zijn relevant? Welke incidenten zijn bekend? Op welke plekken is geblust met PFAS-houdend blusschuim?
Het resultaat: een groslijst van meer dan 2.500 potentiële bronlocaties. Belangrijk detail: dit zijn géén aandachtslocaties. “Het zijn plekken waar mogelijk een bron aanwezig was. Of misschien niet,” legt Van Duijn uit. “Op basis van ervaringen in andere regio’s verwachten we dat bij een groot deel geen sprake is van een PFAS-bron met risico’s. Maar je moet het wel eerst goed uitzoeken.”
De groslijst van potentiële bronlocaties wordt ingedeeld in drie prioriteitscategorieën.
- P1: vermoedelijke inzet van PFAS-houdend blusschuim of grootschalige
verwerking - P2: PFAS-verwerkende industrie en gebruikslocaties
- P3:kleinschaliger toepassingen
Hier zit de kern van de Amsterdamse aanpak. Een model dat meebeweegt met de uitkomsten. Gericht, lerend en schaalbaar.
Gefaseerd prioriteren
P1 krijgt volledige aandacht. In Amsterdam gaat het vooral om brandweerkazernes, oefenplaatsen en brandlocaties. Na een eerste toets blijven circa zeventig locaties over voor verdiepend onderzoek.
Voor P2 kiest de gemeente een andere strategie. Het gaat om veel en uiteenlopende bedrijfsactiviteiten. Per type activiteit wordt een steekproef uitgevoerd. “Zo krijgen we inzicht in patronen,” zegt Van Duijn. “Vinden we ergens structureel verhoogde waarden, dan kijken we breder binnen die categorie. Blijven afwijkingen uit, dan is dat ook een belangrijk signaal.”
De uitkomsten deelt Amsterdam met andere gemeenten en het ministerie. “Zo bouwen we samen aan een steeds scherper beeld. Wat wij hier vinden – of juist niet – zegt ook iets over vergelijkbare locaties elders.”
P3 blijft voorlopig buiten scope. “Als P2 weinig oplevert, is de vraag of je daar extra middelen op inzet,” verklaart Van Duijn.
Verhaal achter de locatie
Voor het verdiepend onderzoek schakelt Amsterdam Tetra Tech in. Hier komt Julian Hartman in beeld, senior bodemadviseur bij Tetra Tech. Zijn werk begint niet buiten, maar binnen. Met archieven. Per locatie start een vooronderzoek volgens de geldende richtlijnen (NEN 5725). Vergunningen, bestemmingsplannen, historische kaarten en oude luchtfoto’s geven inzicht in wat er op een locatie is gebeurd.
“Een locatie vertelt een verhaal,” zegt Hartman. “Bij een brandweeroefenplaats van na de jaren ‘50 en vóór 2011 weet je vrijwel zeker dat er met PFAS-houdend blusschuim is gewerkt. Waar werd geoefend? Waar stond een installatie? Waar kon PFAS in de bodem terechtkomen? “Dat soort vragen bepalen waar we gaan zoeken.”
Van archief naar inzicht
Bij industrie is dat minder duidelijk. “Dan werken we met aannames en zoeken we gericht naar plekken waar het gebruikt of opgeslagen kan zijn.” Milieuvergunningen zijn daarbij vaak doorslaggevend. Daarin staan plattegronden en informatie over bodembescherming. “Zo kun je reconstrueren hoe PFAS in de bodem terecht kan zijn gekomen en hoe het zich heeft verspreid,” weet Hartman.
Daarna volgt een belangrijke check: is de bodem al eerder onderzocht of gesaneerd?
“Het kan zijn dat er later schone grond is aangebracht. Dan zit de verontreiniging daar niet meer. Dat moet je eerst uitsluiten.” Op basis van het vooronderzoek stelt Tetra Tech per locatie een conceptueel model op. Dat laat zien waar de verontreiniging kan zitten en hoe die zich verspreidt. Pas daarna gaat de boor de grond in.
Geen standaard boorplan
Het veldwerk richt zich op de bronlocatie en vraagt precisie. Je moet weten waar je meet. En waarom juist daar. Toegang tot een locatie is niet altijd vanzelfsprekend. Soms kun je alleen in de openbare ruimte onderzoeken. Dan moet je slim omgaan met wat je wél weet en hoe PFAS zich verspreid. Hier wordt de prioriteringsaanpak concreet.
“Het verspreidingsgedrag van PFAS verschilt per situatie,” verklaart Hartman. “Sommige stoffen verplaatsen zich sneller dan andere. Maar vaak weten we niet precies wat er is gebruikt.” Daarom kijkt Tetra Tech naar meerdere factoren: de bodemopbouw, grondwaterstroming en hoe lang en intens PFAS-houdende producten zijn gebruikt. “Op basis daarvan bepalen we waar we de grootste kans op verontreiniging verwachten. Daar plaatst onze veldmedewerker een boring met peilbuis en daaromheen afperkende boringen. Zo bouwen
we het onderzoek verder op.”
Weten wanneer je genoeg weet
De grootste uitdaging zit in afbakening. Hoe diep ga je? Wanneer is het onderzoek voldoende? “Het doel is vaststellen of er een risico is voor mensen,” zegt Hartman. “Daarvoor moet je de plek met de hoogste concentratie vinden, maar ook kijken of mensen ermee in contact kunnen komen.”
Als de bron onduidelijk blijft, volgt een bredere aanpak. “Dan verspreiden we meetpunten over het terrein en onderzoeken we de bovenste laag grond. Dat is de laag waar mensen direct mee in contact komen. Op basis daarvan kun je verder inzoomen.” Hier ontstaat de echte meerwaarde. Niet door alles te meten. Maar door gericht te meten wat ertoe doet.
Nuchter over risico, scherp op systeem
Bij de vraag naar de verwachte uitkomsten blijft Van Duijn realistisch. “Het zou me verbazen als we meer dan enkele locaties vinden waar echt iets speelt. En ook dan verwacht ik beperkte blootstellingsrisico’s.”
Dat relativeert. Maar het verkleint de opgave niet. “De grotere impact zit waarschijnlijk in het grondwater. PFAS verspreidt zich. Dat raakt ook oppervlaktewater. Dat vraagt om een bredere blik en onafhankelijke beoordeling,” beseft Van Duijn. “Een partij als Tetra Tech die vanuit expertise kijkt naar verspreidingsroutes en conclusies trekt. Ook als die luiden dat er niets aan de hand is.”
PFAS staat nu in de schijnwerpers. Maar de vraag erachter is groter. “Dit project kun je zien als een pilot,” besluit Van Duijn. “Er zijn meer zeer zorgwekkende stoffen die straks aandacht vragen. Denk aan microplastics en de additieven die daarin voorkomen. Dan moet je weten: hoe
onderzoek je zoiets? Wanneer grijp je in? Wie is verantwoordelijk?”
Meer dan PFAS alleen
De aanpak levert dus meer op dan alleen inzicht in PFAS. Ze bouwt aan een methode. Een manier van werken die ook bij toekomstige stoffen houvast biedt. Amsterdam laat zien hoe je een gevoelig dossier beheerst
aanpakt. Niet door het groter te maken. Maar door het concreet te maken. Onzichtbare stoffen vragen zichtbare keuzes.
Benieuwd wat we voor jou kunnen betekenen? Onze experts denken graag mee.
-
Kom in contact